In de media: Toename vechtscheidingen door ouderschapsplan - wat een bizarre conclusie!

Gezin

Eind februari 2014 verschenen er tal van berichten in de media dat recent onderzoek zou hebben aangetoond dat er meer vechtscheidingen plaatsvinden sinds het voor scheidenden verplicht is om een ouderschapsplan op te stellen. Wetenschapper de heer E. Spruijt heeft onderzoek gedaan voor het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) en constateerde dat het aantal vechtscheidingen met 15% steeg en agressief gedrag en depressieve gevoelens van de betrokken kinderen met 20% toenamen. Dat is een verschrikkelijke waarneming! Maar klopt die conclusie wel? Of is hier sprake van opgeklopte berichtgeving?

Achtergrond: Ouderschapsplan verplicht sinds 2009.

 

Sinds 1 maart 2009 is het verplicht dat scheidenden in een ouderschapsplan allerlei zaken vastleggen rond de opvoeding en verzorging van hun kinderen ná de scheiding. Intentie van de wetgeving was om leed bij de kinderen bij een echtscheiding te voorkomen. Voortaan stond het kind centraal en niet de ouders.
Het verplichte ouderschapsplan bestaat dus nu wettelijk gezien 5 jaar en omdat de toenmalige minister, de heer A. Rouvoet, dat destijds toegezegd heeft, vindt er nu een evaluatie plaats. Maar wat is er precies onderzocht en hoe?

 

Het onderzoek

 

Het (overigens zeer lezenswaardige) rapport van het WODC, "Cahier 2013-8 Evaluatie Ouderschapsplan" beschrijft uitvoerig deze evaluatie en de totstandkoming hiervan. De evaluatie is onder andere gebaseerd op onderzoek van de heer Spruijt en mevrouw van der Valk (eveneens op site van WODC te downloaden). Het is opmerkelijk dat het rapport van het WODC veel voorzichtiger is met het trekken van conclusies. Dat komt mede omdat er niet een speciaal onderzoek voor is opgezet, maar er (onder andere) gebruik werd gemaakt van reeds bestaande data en literatuur.
De heer Spruijt heeft data gebruikt vanuit een ander onderzoek waar hij sinds 2006 mee bezig is: het onderzoeksprogramma "Scholieren en Gezinnen". Binnen dit onderzoek heeft hij een selectie gemaakt op basis van het wel of niet gescheiden zijn van de ouders. Vervolgens is die groep grofweg ingedeeld in een groep waarbij de ouders in de periode tussen 2004 en 2008 zijn gescheiden (groep I: 169 (!) kinderen) en een groep waarbij de scheiding plaatsvond tussen 2009 en 2013, dus na de invoering van het verplichte ouderschapsplan (groep II: 113 (!) kinderen). Aan de hand van een door de kinderen in te vullen vragenlijst werden de gegevens medio 2013 verkregen.

 

Beperkingen van het onderzoek:

 

Het WODC is opvallend voorzichtig met zijn conclusies. Het benoemt in het rapport een groot aantal beperkingen die aan het gebruikte onderzoek kleven:

 

  • Het onderzoek maakt gebruik van bestaande gegevens die niet specifiek voor de evaluatie van het ouderschapsplan zijn verzameld.
  • Door de gehanteerde groepsindeling in kinderen, waarbij de scheiding plaatsvond tussen 2004 en 2008 enerzijds en tussen 2009 en 2013 anderzijds, spelen er heel veel verschillende factoren een rol, die de uitkomsten van onderzoek flink kunnen beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld:

 

Concreet betekent dat:

 

1. voor die eerste groep is de scheiding dus al langer geleden dan voor de tweede groep. 
      • de kinderen verschilden in leeftijd ten tijde van de scheiding (groep I: 5 tot 9 jaar jonger).
      • de scheiding dus al langer geleden heeft plaatsgevonden, daardoor is er een verschil in de fase van het verwerkingsproces, voor zowel de ouders als het kind
      • de scheiding minder vers in het geheugen ligt dan bij de tweede groep. Het kan zelfs nog zo zijn, dat een aantal van de ouders van de kinderen uit de tweede groep nog volop in het scheidingsproces zitten.
      • De scheiding van de kinderen uit groep II nog te recent is om lange termijn effecten te kunnen waarnemen.
2. In het onderzoek is geen duidelijke afbakening tussen de groep vóór of ná invoering van het verplichte ouderschapsplan.

De kinderen is gevraagd naar het jaar van de scheiding van de ouders en hoe oud zij toen waren. Daarbij kan verschil zitten tussen het niet meer bij elkaar wonen van de ouders en het daadwerkelijke starten van de procedure. Hier kan veel tijd tussen zitten en geeft dus niet een betrouwbare onderzoeksuitslag.

3. Wil je een goede effectmeting doen dan moet dat over langere tijd plaatsvinden.

De onderzoeksgegevens stammen uit 2013. De periode waarover er wat zinnigs gezegd zou kunnen worden over het ouderschapsplan is dus maximaal 3 jaar.

4. Nieuwe gezinsvormen na de scheiding zijn niet in het onderzoek meegenomen.

Deze ingrijpende wijzigingen kunnen van invloed zijn op het welbevinden van de kinderen en de hanteerbaarheid van de gemaakte afspraken in het ouderschapsplan. 

 

  • Ook is de economische crisis sinds 2009 meer voelbaar in Nederland. Dit geeft in veel gevallen een toename van de financiele problemen rond een scheiding en kan van invloed zijn geweest op het aantal gerechtelijke procedures of de problemen die kinderen ervaren. Deze factoren zijn niet meegenomen in de beoordeling van het onderzoek.

 

Daarnaast is het maar zeer de vraag of er sprake is van een toename van het aantal vechtscheidingen. Op grond van de tabellen in het rapport van het WODC is die conclusie niet eenvoudig te trekken. Er is zelfs sprake van een afname of afvlakking van het aantal procedures met betrekking tot kinderen sinds 2009. Of dit verband houdt met het ouderschapsplan valt niet met zekerheid te zeggen. (blz. 88)

Ook vraag ik mij ernstig af hoe een serieuze onderzoeker uitspraken durft te doen op basis van zo'n kleine onderzoekspopulatie (282 kinderen, terwijl er per jaar 60.000 kinderen met een scheiding te maken krijgen).

Conclusies

Eén van de conclusies die I. Van der Valk en E. Spruijt trekken op basis van het door hen uitgevoerde onderzoek is de volgende: "scholieren uit gezinnen waarbij de scheiding vanaf 2009 plaatsvond, rapporteren significant meer conflicten tussen de ouders. ... Duidelijk is geworden dat er in elk geval geen verbetering is opgetreden sinds 2009." (blz. 22)

In het rapport van het WODC staat één van de volgende conclusies:
"Wat betreft de doelstellingen van het ouderschapsplan kunnen nog geen harde conclusies worden getrokken. Het huidige onderzoek geeft in ieder geval geen aanwijzingen dat het ouderschapsplan leidt tot meer contact tussen kinderen en beide ouders, minder ouderlijke conflicten en minder problemen bij kinderen" (blz. 11 en 88)

Ook de volgende conclusie in het rapport van het WODC is duidelijk: "De gevonden verschillen tussen de groepen kunnen dus niet zonder meer aan het ouderschapsplan worden toegeschreven. Bij het interpreteren van de resultaten moeten daarom de problemen rond het onderzoeksdesign in het achterhoofd worden gehouden." (blz. 22)

Wat nog opvallender is, is dat het WODC zelfs afstand neemt van de uitspraken die de heer E. Spruijt in de media heeft gedaan: "deze zijn niet namens het WODC gedaan en zijn geheel voor diens eigen rekening".

 

Kortom:

 

De berichten die in (nagenoeg) alle media ruimschoots aandacht hebben gekregen, zijn behoorlijk opgeklopt. De conclusie dat het verplichte ouderschapsplan heeft geleid tot een toename van het aantal vechtscheidingen is te kort door de bocht en ook niet te staven op basis van bovengenoemd onderzoek. Het is de heer Spruijt kwalijk te nemen dat hij weinig nuance heeft aangebracht in de wilde berichtgeving. De uitspraken die hij in de media deed, gingen vele malen verder dan de conclusies in zijn eigen onderzoeksverslag.
Gelukkig is het WODC veel genuanceerder en voorzichtiger in het formuleren van conclusies. Maar wie heeft in deze tijd nog aandacht voor nuance en voorzichtige bewoordingen?

 

Ouderschapsplan en toename vechtscheidingen: dat is een bizarre conclusie!

 

Een goed ouderschapsplan maken kan een hele klus zijn. Zeker als de beide ouders nog volop in de achtbaan van emoties zitten, die er rond een scheiding zijn. Dat is, zo goed als zeker, ook niet het juiste moment voor het opstellen van een ouderschapsplan.
Toch kan een ouderschapsplan veel meer zijn dan een wassen neus, veel meer dan een formaliteit. Een goed ouderschapsplan kan duidelijkheid geven voor de kinderen en het kan rust brengen in een roerige periode door duidelijke en goede afspraken.

Een ouderschapsplan is eigenlijk een belofte van de ouders aan hun kinderen: "Zo gaan wij voor jullie zorgen!"